"2013 Knuttel en Van Harte: 2 Deventer architecten"

Knuttel en Van Harte
Knuttel en Van Harte: twee Deventer architecten belicht –
Opleiding – denken – werk

Bij de expositie Bouwmeesters van Deventer: Knuttel en Van Harte (Rondeel, sep 2013 – jan 2014)

Opleiding
Beide architecten M. van Harte (1868-1954) en W.P.C. Knuttel (1886-1974) werden opgeleid in Delft.
Van Harte studeerde architectuur bij Eugen Gugel, hoogleraar aldaar van 1863 tot 1902. Gugel is minder bekend als architect, zijn Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag en zijn Sociëteit Minerva in Leiden brandden beide af. Maar het Academiegebouw voor de Rijksuniversiteit Utrecht dat hij realiseerde in 1891 staat er nog en het is representatief voor zijn werk en zijn onderwijs. Dit is het type architectuur waarbij ‘van buiten naar binnen’ werd ontworpen. Voor elke opgave werd een passend gebouwtype gekozen en het programma werd daar als het ware ingepast. Meer programma betekende: grotere uitvoering van het type. Dus een stadswoonhuis kon het uiterlijk krijgen van een palazzo en die waren er in grote en kleinere uitvoering. Een klein gymnasium kreeg alleen een middenpartij met fronton, een groot kreeg ook vleugels en hoekpaviljoens.
Ontwerpen en onderwijs begon met een grondige kennis van architectuur uit de geschiedenis. Een afbeelding van ‘het klasje van Gugel’ laat de essentie zien: voorbeelden van bestaande architectuur onder de knie krijgen door ze te tekenen. De leslokalen (afb.1, afb2, afb. 3) hingen dus vol met voorbeelden van gevels, plattegronden, details: in tekeningen, foto’s en gipsmodellen. Het belangrijkste handboek was de “architectonische vormleer”, door Gugel zelf ontwikkeld, want een voldoend handboek was er niet. De opbouw ervan ging van het ontwerpen van onderdelen van buitenkanten via interieuronderdelen naar lessen in compositie en functioneel ontwerp.
Alles ging over vorm-leer; nieuwe typen van gebouwen hoefden niet bedacht, want voor elke opgave was er al een type. Studenten moesten alleen leren het juiste type te kiezen en de juiste vormen en decoraties daarvoor beheersen.
Het handboek van Gugel voor de “Geschiedenis van de Bouwstijlen” en zijn Vormleer bleven tot de Eerste wereldoorlog in gebruik en zo is ook Knuttel (in Delft afgestudeerd in 1910) in deze trant opgeleid.

“Karakter”
In het denken over architectuur, en dus ook in de opleiding van architecten, was een centrale plaats ingeruimd voor het begrip “karakter”. De idee was, dat het karakter van de opgave en dat van de architectonische vormen goed bij elkaar zouden moeten passen. Zo’n notie begint met het uitgangspunt dat architectonische vormen altijd betekenis hebben en dat die betekenissen bepalen welke vormen bij een opgave worden gekozen. Zo was het in die periode evident dat de gotiek de passende vormen bood voor een katholieke kerk: de middeleeuwse gotiek was immers de bloeitijd van het katholicisme, die met de renaissance tot een einde kwam. En die renaissance bood dan weer de passende vormen voor protestantse gebouwen en voor overheidsgebouwen in Nederland, omdat het hier over de periode van na de reformatie gaat. Gugels Academiegebouw voor de Utrechtse universiteit is dan ook in renaissancevormen ontworpen, de stijl van de periode van het humanisme die goed past bij een universiteit. Anderzijds is bijvoorbeeld een rechtbank in gotische stijl ondenkbaar, omdat die zou suggereren dat wij worden berecht onder kerkelijk recht. De klassieke vormen met kolommen en frontons, zoals de Zwolse rechtbank die heeft, zijn voor die opgave wel passend.
Een gebouw heeft in deze denkwijze het juiste karakter, als het iets vertelt over de natie waarin het is ontstaan, over de plek waar het staat (regio, plaats, situatie), over het programma (school, stadhuis, theater), de opdrachtgever (boekhouder, latinist, fabrikant) en de tijd van ontstaan. Een “jaren dertig woonhuis” zou beslist tot afkeuring leiden, net als een “prairiehouse in de stijl van Frank Lloyd Wright”. Voldoen aan de verplichting het juiste karakter te vinden, was een hele opgave. Soms eenvoudig: als sigaretten worden geassocieerd met Turkije en het Midden-Oosten, dan is de tabaksfabriek van Dresden een topgebouw. Voor industriële gebouwen was een ‘zakelijke’ bouwstijl van belang, waarbij de vormen alleen voortkwamen uit de materiaaltoepassing, zoals de textielfabriek van NW&K laat zien.
Soms ging het mis: toen Berlage de Beurs van Amsterdam ontwierp, dachten de heren van de beurshandel aan een Tempel voor de Handel. Wat zij kregen was voor hen eerder een fabriek of een treinstation: schoon metselwerk, een glazen kap op stalen spanten. Het karakter van de architectuur strookte totaal niet met hun opvattingen over de opgave. Na enkele jaren vertrokken ze naar een nieuw gebouw, met kolommen en een fronton met passend beeldwerk.

In de studietijd van Knuttel waren er twee hoogleraren in Delft: de een zette Gugel’s werk voort, de ander werd verantwoordelijk voor het ontwerp van utiliteitsbouw. Daartoe hoorden fabrieken en massawoningbouw. Henri Evers doceerde “Schone Bouwkunst’, Jacob Klinkhamer deed de utiliteitsbouw. Evers werd bekend door zijn ontwerp voor het stadhuis van Rotterdam (1914), Klinkhamer onder meer door de grote silo aan de Westerdoksdijk in Amsterdam (1896).
Dat architecten zich met utiliteitsbouw gingen bezighouden, was niet vanzelfsprekend. Klinkhamer had er zich in gespecialiseerd en ook Van Harte hield er zich mee bezig. Maar aan de tekening van de Engelse architect Thomas Cole uit 1870 is te zien dat op dat moment tot “The architect’s dream” bepaald nog geen fabrieken hoorden. In de utiliteitsbouw werd ontworpen ‘van binnen naar buiten’: het programma van eisen werd nauwkeurig geanalyseerd en de onderdelen werden samengevoegd op de wijze die logisch paste bij ‘de eisen van het bedrijf’. Het gebouw dat daaruit ontstond leek meestal weinig op de bekende typen die bij de ’schone bouwkunst’ als uitgangspunt werden genomen. In de traditie van de utiliteitsbouw kwam je uit op een Van Nellefabriek, terwijl bij Evers perfect dat stadhuis paste. Bij Evers leerde je juist ‘van buiten naar binnen’ ontwerpen.

Voor het ontwerpen en toepassen van de juiste vormen waren meer docenten nodig dan deze twee architecten. Tekenen en schilderen, boetseren en goede kennis van het interieur waren evenzeer belangrijk. Daarvoor waren andere docenten van betekenis, zoals A.F. Gips (tekenen) en Karel Sluyterman (interieur). Precies deze docenten brachten de nieuwste modes in vormen de school binnen. Zo zorgden zij voor een ware schoolvorming van ‘Delftse Art Nouveau’, waarvan de vormen zeer geschikt waren voor nieuwe opgaven. Zo treffen we de ‘Nieuwe Kunst’ (de oude was met name de neo-renaissance) aan bij nieuwe producten zoals oliefabrieken (slaolie Delft) en levensverzekeringen (de Utrecht, de Eerste Hollandsche, etc.). Als er al geen geld of ruimte was voor volledig nieuwe vormen, dan kon de bij Gugel afgestudeerde ‘tHooft Labouchère met zijn Porceleyne Fles wel passend tegelwerk leveren. Veel Art Nouveau-architectuur in Nederland onderscheidt zich vooral door de toepassing van tegeltableaus: een effectief decoratief middel om je als ‘nieuw’ te afficheren.

De aspecten van opleiding en van denken over architectuur die hier zijn benoemd, zijn in het werk van beide architecten Van Harte en Knuttel goed te herkennen. Een korte wandeling door hun oeuvre maakt alle hier behandelde noties nog eens duidelijk.

Werk
Van Harte
Het winkelpand van Van Harte aan de Vleeshouwerstraat is een mooi en rijk voorbeeld: we zien er de moderne gebogen vormen van de Art Nouveau. Ook in de toepassing van de natuursteen is ernaar gestreefd het karakter van de opgave te treffen: het pand begon als juwelier en voor die functie werd deze granietsoort met mica-glimmertjes veelvuldig toegepast. Het flonkerend van de juwelen werd in dat van de natuursteenpui weerspiegeld. ‘Juwelier’ was een nieuw fenomeen: een gegoede middenklasse werd ‘markt’ voor (vaak in serie vervaardigde) sieraden en juwelen.

De kerk van Okkenbroek werd door de vader van Van Harte al begonnen. Het is een eenvoudige zaalkerk, zo te zien zonder veel opsmuk. Maar let op de vensters: dit type met twee rondboogvensters naast elkaar (bifoor) en een oculus (rond raam) in de top is ontleend aan de Noorderkerk in Amsterdam. En die gold als de eerste nieuw gebouwde protestantse kerk van na de reformatie. Dus als men voor de kerken van de Doleantie (de afscheiding van de gereformeerden uit de hervormde kerk) zoekt naar een passende architectuur, dan komt de vormentaal van die eerste terugkeer naar een nieuwe oorsprong direct in aanmerking.
Voor de haardenwinkel die Van Harte maakte in de Nieuwstraat is de opgave weer anders. Hier gaat het, opnieuw, om een nieuw product (de (vul)kachel) en om de toepassing van een nieuwe techniek: het was sinds kort mogelijk om met getrokken glas grote etalageruiten te maken. De winkelpui was dus én modern in zijn vormen én in de grootte van de etalages.
Zo zit die winkel een beetje op de grens van de utiliteitsbouw, een tak van dienst, waarin Van Harte onder meer een sigarenfabriekje maakte, maar ook de bekende ‘zwarte silo’. Aan de sigarenfabriek zijn de eenvoudige, aan de constructie in baksteen ontleende, vormen herkenbaar. Een simpel gebogen fronton biedt ruimte aan de firmanaam en de functie is herkenbaar aan de lichtkappen op dak: voor de keuring en sortering van de tabak was goed en gelijkmatig licht nodig.
Voor de Zwarte Silo heeft Van Harte een eenvoudige pakhuisvorm gekozen: het schema van een sokkel met etages, bekroond met een zadeldak is goed herkenbaar. In plaats van de pakhuisvloeren zijn nu de schachten (karen) gekomen, maar het schema past het karakter van de opgave: pakhuis.
Het bankkantoor van de Sallandsche bank zou als stadswoonhuis zijn uitgevoerd, als het programma niet zo omvangrijk was. Met verbijzonderingen in de hoek- en middentraveeën deelt de architect de gevel op in eenheden die de schaal van de aanpalende percelen opnemen. Maar dit is onmiskenbaar een kantoor, een nieuwe opgave in de stad. Van Harte kijkt naar Amsterdamse voorbeelden van zijn collega’s Poggenbeek en Posthumus Meyjes voor de gevelgeleding en gebruikt ook hun venstertype: een drielichtvenster met twee stijlen en een kalf. Op de begane grond recht gesloten, op de etage onder een boog gezet, met als effect dat elke travee als eenheid werkt en daarmee de verticaliteit bereikt die kenmerkend is voor binnenstadspanden.
Datzelfde streven naar een goede inpassing zien we in het pand aan het Grote Kerkhof. We zien een symmetrische gevel met top en met lisenen voor de verticale geleding. Het schilddak accentueert de individualiteit en het stiekeme traveetje aan de linkerkant maskeert dat de perceelbreedte zich slecht leende voor het gevelschema dat Van Harte wilde toepassen.
Zo’n listige aanpassing zit ook in het pand aan de Kleine Poot. Hier zien we een brede en twee smallere traveeën in een asymmetrische compositie. De gevel wordt pas begrijpelijk in de context: de risaliet aan de rechterkant, met de top, staat precies in de as van de Hofstraat, direct zichtbaar van de IJssel. Voor de beide gevels van deze stadswoonhuizen zijn de voorbeelden direct te vinden in de Architectonische Vormleer van Gugel. Beide gaan terug op de vereerde voorbeelden van stadswoonhuizen uit de vroege Gouden Eeuw: de goede ‘burgerlijke’ architectuur van Hollandse stad.

Knuttel
Als zoon van de toenmalig rijksbouwmeester D.E.C. Knuttel kreeg Knuttel na zijn afstuderen een stageplaats bij het uitwerken van het ontwerp van Louis Cordonnier voor het Vredespaleis in Den Haag. In 1911 begon hij zijn eigen bureau in Deventer.
Ook in zijn werk zijn de lessen uit ‘Delft’ terug te zien. In veel van zijn vrijstaande woonhuizen voor villaparken zien we vormen die ‘landelijkheid’ moeten uitstralen. Tot die ‘picturesque’ elementen horen het rieten zadeldak met wolfseinden en houten voorschotten in de geveltop, vaak gecombineerd met klossen. Niet zelden zijn die planken niet gekantrecht, zodat ze nog rustieker werken.
Bij de bouw van het Jorden’s hofje herkennen we de typische elementen van een Hollands hofje, zoals al in de 17de eeuw gemaakt (vergelijk Pieter Post, hofje van Nieuwkoop, Den Haag). Eén bouwlaag met kap, de woningen tot rij gecombineerd, pannen dak met goot op klossen en per woning een dakkapel. Voor een accent in de vorm van een risaliet of centraal geplaatste steekkap was in een hofje van deze maat geen plaats. Karakteristiek zijn ook de kruisvensters met luiken. Het karakter van de opgave: hofje in Nederlandse binnenstad leidde tot de keuze van bouwtype en van de architectonische vormen.

Een zeer grote rol speelde Knuttel bij de volkswoningbouw in Deventer, de majeure opgave van de ‘wederopbouw’. Flats in portieketagebouw spelen daarbij een hoofdrol en Knuttel heeft er een groot aantal gemaakt. Zijn Deventer voorbeelden laten goed zien hoe hij de blokken gebruikte voor stedenbouwkundige geleding of geleiding: aan de Ceintuurbaan (afb. 1 en afb. 2) en de sembles. De straatwand wordt door de blokken gevormd en met architectonische details worden zij geleed. Daarvoor zette Knuttel onder meer de portieken in, die hij accentueert (door ze bijvoorbeeld naar voren te laten springen), niet alleen om er een ingang mee aan te duiden, maar ook om maat, schaal en ritme in de straatwanden aan te brengen. Aan de Rembrandtkade gebruikt hij daarvoor ook de plaatsing, door de blokken onder een kleine hoek ten opzichte van de straat te zetten. Bovendien voorkomt hij dat de blokken als platte richtingloze dozen gaan werken: hij geeft ze een licht hellend lessenaar-dak. Dat is niet alleen om de afwatering te garanderen, maar ook om een duidelijke voorkant te maken (bijvoorbeeld in verband met uitzicht). Met een mooie band scheidt de architect het gemetselde blok van de kap, zodat het volume een fatsoenlijke beëindiging krijgt.

Een prachtig voorbeeld van hoe Knuttel een nieuwe opgave onderbrengt in een bestaand type, is zijn flatje aan het Bergschild. Hij combineerde hier type portiekflat met dat van het stadshuis. Zo voegt zich het kubische blok met lijstgevel goed in de straat, maar gaat het bij nadere beschouwing toch echt om een portiek-etageflat. Het trappenhuisvenster is omlijst met een fors betonnen kozijn en ook de deur heeft een duidelijke lijst. De vensters staan in een diepe negge, wat de dikte van de muur benadrukt en de dakkapel in de as is ontleend aan 18de eeuwse voorbeelden. Helaas heeft de eigenaar van al deze schoonheid de essentie niet begrepen, getuige de voorzetramen en het mislukte portaal, die totaal niet passen bij het karakter van deze architectuur.

Met het oprakelen van de oeuvres van Van Harte en Knuttel heeft Rondeel opnieuw een bijdrage geleverd aan de ‘leesbaarheid’ van de stad. Maar ook wordt weer duidelijk dat, als je in een onderwerp duikt, er een wereld aan kennis, verbanden en betekenissen opdoemt, die bijdraagt aan de beleving en de waardering van de stad.

Afbeeldingen:
– Lamberthe de Jong, Jim Peters en Angêl Pinxten
– Dirk Baalman

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *